Startpagina
Nieuwbouw Restauratie Zoek op plaats Huisorgels Kistorgels Lopende projecten Over ons Nieuws Te koop aangeboden

Nijverdal - GK, 1984

Terug

Orgel gebouwd in 1984 door Mense Ruiter orgelmakers b.v.
Hoofdwerk:

Prestant 8'
Cornet 4 st.
Prestant disc. 16'
Bourdon 16'
Quint disc. 6'
Roerfluit 8'
Octaaf 4'
Quint 3'
Gemshoorn 4'
Octaaf 2'
Tertiaan bas/disc. 2 st.
Mixtuur bas/disc. 4-5-6 st.
Trompet bas/disc. 8'
Bovenwerk:

Prestant 8'
Fluit travers disc. 8'
Viola di Gamba 8'
Fluit doux bas/disc. 8'
Octaaf 4'
Sexquialter disc. 2 st.
Quintfluit 3'
Gemshoorn 2'
Flageolet 1'
Fluit d'amour 4'
Dulciaan 8'
Tremulant
Pedaal:

Subbas 16'
Octaaf 8'
Holpijp 8'
Octaaf 4'
Bazuin 16'
Trompet 8'
Koppels:

Bovenwerk - Manuaal
Manuaal - Pedaal
Bovenwerk - Pedaal

De opdracht

Het Mense Ruiter orgel in de Gereformeerde Kerk te Nijverdal is het derde instrument dat in een tijdsbestek van nauwelijks driekwart eeuw in deze kerk tot stand is gebracht. Het eerste orgel werd in 1912 geplaatst door de firma A.S.J. Dekker uit Goes. Het had twee klavieren en pedaal met een pneumatische tractuur. Uiterlijk sierde het orgel het kerkinterieur zonder twijfel. Wie de oude foto van de oorspronkelijke kerkinrichting ziet krijgt respect voor het gevoel voor stijl dat anno 1912 nog aanwezig was. Gevoel voor proportie en aandacht voor detail spreken uit de gehele verzorging van orgel, kansel, deuren, lichtkroon en schilderwerk. Minder zal het gesteld zijn geweest met de technische kwaliteiten van het orgel. De firma Dekker hanteerde het toen algemeen gewaardeerde pneumatische systeem, waarmee een lichte speelaard kon worden verkregen. Ook de muzikale uitgangspunten van de klank waren minimaal.

In de vijftiger jaren ontstond de gedachte dat recht-toe-recht-aan beter was dan de krullen en biesjes van het verleden. Talloze kerkinterieurs van toen zijn op deze wijze gemoderniseerd. In het kader hiervan werd in 1955 ook een nieuw orgel in de kerk van Nijverdal geplaatst. Het was een drieklaviers elektro-pneumatisch orgel gebouwd door C. Verweys uit Amsterdam. Gebouwd is in dit verband wellicht een wat groot woord. Het nieuwe orgel werd geconstrueerd met gebruikmaking van gebruikte materialen. De makelij wees in alle opzichten op slechts één uitgangspunt: een lage prijs. Ten opzichte van het Dekker-orgel was winst geboekt op het terrein van het aantal klavieren en registers. Wat uiterlijk en kwaliteit betreft betekende het Verweys-orgel zeker een stap achteruit.
Het duurt dan ook niet lang of de gebreken dienen zich aan. Adviezen uit 1965, 1972 en 73 spreken dan ook unaniem over een slecht orgel en geven de advies aan de stichting om een orgelfonds op te richten. Om het orgel nog enkele jaren bespeelbaar te kunnen houden wordt in 1974 een nieuwe elektrische speeltafel aangebracht door de orgelmakers Reil.

Het orgelfonds is er gekomen. Als het zijn vruchten begint af te werpen gaat men over tot voorbereidingen voor de bouw van een nieuw orgel. In september 1980 ontstaan de eerste contacten tussen de orgelcommissie en Jan Jongepier die als adviseur is aangetrokken. De eerste besprekingen richten zich op de gewenste grootte, de plaats van het orgel, maar vooral ook op de te volgen procedure. Eerst is gesproken over de manier waarop de orgels worden gemaakt, waarbij ook de uitgangspunten van de orgelmakers en de bespeling van de organisten te sprake kwamen. Vervolgens werden oriëntatiereizen ondernomen. Men kreeg zodoende zicht op verschillen in constructie, uiterlijk en klank. Niet alleen voor de keuze van een orgelmaker waren deze reizen echter noodzakelijk, ook groeide gaande weg de visie op een orgeltype dat voor de kerk van Nijverdal geschikt werd geacht. Gezocht werd naar een algemeen uitgangspunt voor de klank. Hieraan ligt een fundamentele visie ten grondslag: eerst moet er een voorstelling van de klank zijn, een gekozen klank-type, daarna vindt dit zijn weerslag pas in een dispositie en vormgeving.

Nadat al deze elementen in vele reizen en besprekingen doordacht waren, is bij verschillende orgelmakers een prijs aangevraagd. Daarop is de opdracht verstrekt aan de orgelmakerij Mense Ruiter.

Klankontwerp

Bij de klankvoorstelling heeft de begeleiding van de gemeentezang het grootste gewicht in de schaal gelegd. Dat werd als voornaamste taak van het orgel gezien. Omdat het aantal zitplaatsen in verhouding tot de inhoud van het kerkgebouw groot is, werd gekozen voor een volle, draagkrachtige klank. Hierin is een samengaan van harmonische boventoonopbouw met grondtoon gerealiseerd.
In het verlengde van de eigenlijke samenzang-begeleiding is niet voorbijgegaan aan de liturgisch-zelfstandige functie van het orgel. Anders gezegd, de voorspelen en het orgelspel vóór en na de dienst. Voor het improviseren en het spelen van koraalgebonden literatuur bieden klank en dispositie tal van mogelijkheden. In de derde plaats is gedacht aan concertant orgelspel. Dit is vooral ingegeven door de uiteindelijk bereikte omvang van het instrument.

Aansluiting werd gezocht bij de orgelbouw van de eerste helft van de 19e eeuw, de Biedemeier-periode. Kenmerkend hierbij was de synthese tussen klassieke klankopbouw enerzijds en een zich aankondigende stijlwijziging anderzijds, herkenbaar aan solostemmen en veranderingen in het klank-evenwicht. Karakteristiek voor deze periode zijn ook de tertsregisters, zowel in het 8-voets als het 16-voets beeld. Zonder ook maar iets eens van te kopiëren hebben de orgelmakers met deze uitgangspunten, samen met de adviseur, een orgel ontwerpen dat wat klank zowel als wat uityerlijk betreft zijn wortels in die periode vindt. Vooral de flexibiliteit was hierbij een karaktertrek die van belang werd geacht. De stilistische verschillen van het liedmateriaal in het liedboek kunnen hier wel bij varen. Ook de concertpraktijk kan er zijn voordeel mee doen.

Enkele notities over het ontwerp

Voor dit orgel is gekozen voor een ambachtelijke werkwijze in de grote traditie van de klassieke orgelbouw, met de beste materialen uitgevoerd volgens doordachte maatsystemen opgezet.
Gekozen is voor een orgeltype bestaand uit Hoofdwerk, Bovenwerk en Pedaal. De centrale gedachte hierbij was om het hoofdwerk zo logisch mogelijk in de kerkruimte te kunnen plaatsen. Op de toch wel vrij hooggelegen orgelgalerij moest dit wel leiden tot een lage plaatsing van het hoofdwerk, waardoor het voor de hand lag het tweede werk als een bovenwerk uit te voeren. Het pedaal werd achter het Hoofdwerk geplaatst. Voor de windvoorziening werd een ruimte gevonden onder het vloerniveau van de orgelgalerij. De klaviatuur werd in de linker zijwand aangebracht.

De orgelkas is aan de voorzijde en zijkanten van eikenhout, de achterwand is van grenen. Het eikenhout is met wasbeits donkerder gemaakt. Het snijwerk in het front is groen gekleurd, met bladgoud op verhogingen.