Startpagina
Nieuwbouw Restauratie Zoek op plaats Huisorgels Kistorgels Lopende projecten Over ons Nieuws Te koop aangeboden

Uithuizen, Menkemaborg, Vool & Groet kabinet-orgel

Terug

Gerestaureerd in 2011 door Mense Ruiter orgelmakers b.v.

Bij het integrale onderzoek in 2004 door Stef Tuinstra werd de aangebrachte inscriptie “Verb 1844 H Fr” ontdekt. Hierdoor konden allerlei stijlkenmerken in het orgel die duidelijk van Vool afweken herkenbaar worden herleid. Zo werd zichtbaar dat het huidige orgel in twee bouwfases tot stand is gekomen. De eerste was in 1777 gereed, de andere in 1844. De oorspronkelijke dispositie van 1777 is zeer waarschijnlijk als volgt geweest:

Prestant discant 8 voet
Gedakt 8 voet
Fluit travers 8 voet v.a. c0, groot octaaf gecombineerd met Gedakt 8 v.
Prestant 4 voet (deels front)
Fluit 4 voet
Quint 3 voet
Octaaf 2 voet
Quint 1 1/2 voet (?)
Terts discant 1 3/5 voet (?)

Werktuigelijke registers:
Ventiel (windlosser)
Tremulant
Toonhoogte: kamertoon; a1 = ca. 415 Hz

Hendrik van Houten wilde in 1844 kennelijk een draagkrachtiger klank en meer speelmogelijkheden, o.a. voor het spelen van liederen ter begeleiding van het zingen in huiselijke kring. Een van de beste Groningse kabinetorgelspecialisten in die tijd was Herman Eberhard Freytag. Diens verbouw en uitbreiding in 1844 is ambachtelijk fraai en in artistiek opzicht zo traditioneel uitgevoerd dat het alleen aan de stijl- en materiaalverschillen te zien is dat men met materiaal van 1777 of van 1844 van doen heeft.
Freytag vergrootte het orgel aanzienlijk. Hij voegde een nieuwe houten Fluit travers 16 voet discant toe. Daarvoor gebruikte hij het pijpwerk en de bijbehorende plaats op de windlade van de bestaande Fluit travers 8 voet die vanaf c0 begon en schoof het register een octaaf naar boven op. Voor de Fluit travers 8 voet discant maakte hij nieuwe eiken pijpen en zette die op de plaats van twee oude registers die samen op één stok stonden, waarschijnlijk de Quint 1 1/3 discant en terts 1 3/5 discant. De overgebleven gatenrij van een van de oude metalen discantregisters dichtte hij af met een eiken latje. Voorts maakte Freytag een grenenhouten Octaaf 8 voet Bas ter aanvulling op de Prestant 8 voet discant van metaal. De nieuwe pijpen werden in dezelfde stijl en in nauw aansluitende (enge) mensuren bijgemaakt. Deze pijpen werden op een aparte vervoerstok achter het orgel opgesteld. De oude achterwand werd daarvoor grotendeels verwijderd en de nieuwe pijpen vormden zelf de achterwand. Het registeropschrift van Mulder noemt de aanwezigheid van het register ‘Ligtfluit 4 voet discant’ (op de plaats van de Fluit travers 8 voet discant). Het register is gemaakt van een afwijkende lichte houtsoort (Europees esdoorn). De voet- en kernfactuur (eiken) is echter gelijk aan die van de volledig eiken Fluit travers 8 voet discant van 1844 en heeft van binnen ook dezelfde roodbolus. De enige mogelijkheid is dat dit een 2 voets fluit bas is geweest ter vervanging van een oude Quint 1½ voet bas.
Freytag restaureerde de windlade en paste deze aan aan de nieuwe dispositie en deelde alle registers in bas en discant. Vool maakte altijd vaste klavieren die in de kast lagen. Freytag heeft volgens de traditie van het familiebedrijf het oude klavier vermaakt tot een klavier met boven balansen dat in- en uitgeschoven kon worden. Doordat het klavier naar voren kon worden uitgeschoven verbeterde de zitpositie achter het orgel aanmerkelijk (meer knieruimte). Dit was wellicht ook nodig omdat Freytag waarschijnlijk een één-octaafs pedaalklaviertje (omvang C t/m c0) bijmaakte. Al het pijpwerk werd hersteld. Sommige houten pijpen repareerde hij met perkament en messing spijkertjes, goot ze van binnen uit met lijm en schilderde daarna alle houten pijpen in een grijze kleur met een dikke loodwitverf om de reparaties en de verschillen tussen oud en nieuw minder zichtbaar te maken en om de pijpen extra goed winddicht te krijgen. Vanwege de in bas en discant gedeelde slepen in de windlade voegde Freytag naast het klavier links en rechts extra registerknoppen toe en maakte hij daarvoor een geheel nieuwe registermechaniek. De oude gaten werden aan de voorzijde van het registerpaneel dicht gemaakt. Ook kwamen er nieuwe registerknoppen met nieuwe parelmoerplaatjes met daarin gedrukte registernamen.
Zoals altijd bij restauraties en kleine verbouwingen respecteerde de zeer traditioneel werkende Herman Eberhard Freytag de bestaande toonhoogte, winddruk en (barok)stemming.

Wolter Klaassens Beukema heeft in 1915 bij de overplaatsing van het orgel naar de kerk in Zijldijk allerlei herstelwerkzaamheden verricht die niet allemaal even gelukkig waren. Tevens heeft Beukema geprobeerd de toonhoogte te verhogen naar de toen gangbare hoogte, nl. a1= 435 Hz . Slechts een jaar later werd het orgel alweer gerepareerd, maar nu door Marten Eertman uit Noordwolde. Het balkon werd verstevigd waarna het orgel uiteindelijk op het balkon geplaatst kon worden. Er werd ook een nieuwe windvoorziening gemaakt en plaatste de balg in een raamwerk met een bladveer ter stabilisering van de winddruk. Ook maakte hij er een externe handpompbediening bij voor een aparte balgentreder. In de dispositie verplaatste hij de Ligtfluit 2 voet bas naar een 4 voet ligging discant en plaatste hier een extra Octaaf 4 voet bas. De Fluit travers van 1844 werd in het orgel opgeslagen.

Het vurenhouten pijpwerk van Eertman van de Octaaf 4 voet bas is bij de verhuizing naar de borg in 1935 verdwenen. Wel is het pijpwerk van de Fluit travers 8 v. van 1844 meegekomen. Dit pijpwerk is toen echter niet meer herplaatst en heeft al vanaf 1935 op de zolder gelegen. Op de borg heeft het orgel als pronkkast gediend. Omdat er in de kast geen plaats was voor de windvoorziening van Eertman, werd deze op de zolder opgeslagen en werd het orgel in de borg niet bespeeld.
Met een kleine vrachtwagen werd het orgel in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw nogal eens naar de volkshogeschool ’t Oldörp in Uithuizen getransporteerd, waar het op gezette tijden nog eens werd bespeeld. Door deze frequente verplaatsingen ging het orgel, dat al niet zo best meer functioneerde, zienderogen achteruit.
Derk Mulder demonteerde het orgel in 1965. Het materiaal werd echter zonder documentatie en goede aandacht opgeslagen (zo hebben de pijpen jaren achtereen boven op elkaar plat gelegen), waardoor het materiaal een hoop verkreukt metaal en een stapel vies oud hout was geworden en werd het daardoor nauwelijks meer als waardevol orgelmateriaal herkend.

De restauratie
Het orgel was na de tweede bouwperiode (Freytag-1844) in zijn historische ontwikkeling op zijn fraaist. Door Freytags traditionele wijze van werken zijn de elementen die het meest van belang zijn voor een authentieke klank, en daarmee ook voor een stijlvolle uitvoering van oude muziek, gelukkig goed behouden gebleven. Daarom lag het voor de hand het orgel naar deze situatie terug te brengen met behoud van enkele latere waardevolle cosmetische wijzigingen. Zodoende kon vrijwel al het aanwezige historische materiaal optimaal benut worden.

Het in deplorabele toestand verkerende orgel is in 2010-11 intensief gerestaureerd. Het herstel van de orgelkast, dat in 1983 gedeeltelijk had plaatsgevonden, is hierbij waar nodig aangevuld en afgemaakt, o.a. door een beter constructief verband in de kast aan te brengen. Kleur en vergulding zijn terughoudend hersteld door Helmer Hut uit Beerta.
Van de windvoorziening zijn de balg met schepper en balgzwaard nieuw gemaakt, alsmede de externe voettrede, de balgpeilstok en een ontbrekend deel van het windkanaal, alles naar model van Vool. Een nieuwe windmachine in een kleine, in bijpassende kleur geschilderde, dempkist is zodanig aangesloten dat er ook op authentieke wijze getreden kan worden. De aanwezige windlosser en tremulant zijn gerestaureerd en ingepast naar voorbeelden van vergelijkbare Vool-kabinetorgels. De in 1844 deels gewijzigde en geheel gesponselde windlade is geheel hersteld naar die situatie. De klaviatuur is volledig gerestaureerd en kan weer op oude wijze in en uit worden geschoven. Het klavierbeleg is nieuw gemaakt van mammoetivoor naar model van het Vool-kabinetorgel te Weener (Organeum). De afgezaagde balansen van Freytag zijn grotendeels naar voorbeeld van het Freytagkabinetorgel van Lellens aangevuld. De registerknoppen van Freytag met parelmoerplaatjes van Mulder zijn hersteld. De twee geschilderde houten registerborden van Mulder zijn door Helmer Hut opnieuw beschilderd in de stijl van Freytag. (Er is vooralsnog afgezien van het bijmaken van een pedaalklaviertje.)

Een immens karwei was het integrale herstel van alle houten en metalen pijpen. Bij het vooronderzoek was vrijwel al het materiaal al bijna helemaal geordend. Naderhand is nog een aanvullend pijpinscriptieonderzoek gedaan ter bevestiging van de juiste plaatsbepaling van de pijpen op de windlade. Van een fors aantal van de dikwandige maar wel enigszins zachte pijpen waren de voeten en corpora los van elkaar geraakt. Aan de hand van de weinige pijpen die nog wel in goede staat waren was gelukkig duidelijk te zien hoe de beide delen weer op elkaar konden worden gesoldeerd. Daarmee worden immers tevens de kernspleetwijdten bepaald en daarmee weer een belangrijk deel van de oorspronkelijke klankgeving. De meeste pijpranden waren bij de boven uiteinden kapot en zijn weer van nieuwe bovenstukjes voorzien. Alle houten pijpen zijn ontleed waar dat mogelijk was, de kapotte delen hersteld of vernieuwd en daarna opnieuw geverfd in de kleur van 1844. Voor het inwendige zijn diverse pijpen uitgegoten met lijm en roodbolus zoals aangetroffen. De oorspronkelijke intonatiemethodiek en toonhoogte kon na uitgebreide proefnemingen tijdens de voorintonatie en afwerking boven verwachting eenduidig worden teruggevonden, zodat er, ondanks het reconstructieve karakter, van een zeer aannemelijk authentiek klankbeeld sprake is. Dit is vooral te danken aan het bijzonder fraaie authentieke materiaal dat vrijwel integraal bewaard is gebleven.

Dispositie (Volgorde op de laden van voren naar achteren vanaf de klaviatuur gezien)
1777 = J.J. Vool, 1844 = H.E. Freytag

BAS
Prestant 4 voet 1777. Metaal; C – c1 in het front
Ligtfluit 2 voet 1844. Eiken voet met kern als bij de Fluit travers 8v. D.
Octaaf 2 voet 1777. Metaal; (vrij wijde mensuur)
Quint 3 voet 1777. Metaal; (vrij wijde mensuur)
Gedakt 4 voet 1777. Grenen; gedekt
Octaaf 8 voet 1844. Grenen; (enge mensuur)
Gedakt 8 voet 1777. Grenen; gedekt

DISCANT
Fluit travers 16 voet 1777. Grenen. In 1844 opgeschoven van c0 naar c1
Prestant 8 voet 1777. Metaal
Prestant 4 voet 1777. Idem.
Quint 3 voet 1777. Idem.
Octaaf 2 voet 1777. Idem.
Fluit travers 8 voet 1844. Eiken stemlappen van orgelmetaal (enge mensuur)
Fluit 4 voet 1777. Grenen; halfgedekt d.m.v. gat in eiken stophandvat
Gedakt 8 voet 1777. Grenen; halfgedekt d.m.v. gat in eiken stophandvat

Tremulant (inliggend)
Ventiel (windlosser)
Vacant
Toonhoogte: kamertoon; a1 = 415 Hz
Winddruk: 50 mm waterkolom
Stemming: Young, 1800. (1/6 komma)

mechaniekdelen

mechaniekdelen

mechaniekdelen

windlade

windlade

windlade beplakt met kranten

windlade beplakt met kranten

intonatie