Startpagina
Nieuwbouw Restauratie Zoek op plaats Huisorgels Kistorgels Lopende projecten Over ons Nieuws Te koop aangeboden

Mensingeweer, MichaŽlkerk, Schnitger

Terug

Gerestaureerd in 2010 door Mense Ruiter orgelmakers b.v.
Prestant 8’
Holpijp 8'
Octaaf 4’
Quint 3’
Octaaf 2’
Viool di gamba 8'
Fluit 4'
Salicionaal 4'
Trompet 8'
Zie ook: Gerestaureerd Schnitger-orgel in Mensingeweer (www.orgelnieuws.nl)
Pedaal

aangehangen
Speelhulpen:

Tremulant (2010)

Arp Schnitger bouwde het orgel in 1698 voor de Hervormde Kerk in het nabijgelegen Pieterburen. Het bestek meld de datum 28 maart 1696 en het gaat om een instrument met acht stemmen, drie spaanbalgen, één windlade, een klavier van 45 toetsen (CDEFGA-c3), kort octaaf dus, alsmede een tremulant. De tonen C,D en E van de Praestant 8 vt zouden worden gecombineerd met dezelfde pijpen van de Gedekt 8 vt. De frontpijpen van de Praestant 8 vt (van tin) zou dus in het front staan vanaf F, waarmee het dus een zes-voets orgel zou worden. Allert Meijer plaatst er twee jaar later een loos rugpositief bij en in 1704 wordt er door Johannes Radeker een aangehangen pedaal toegevoegd. Beide heren waren bekende van Schnitger en voerde vaker werk voor hem uit.

In 1772 voert Hinsz omvangrijke werkzaamheden uit. Uit rapporten bleek dat er laden slecht waren, er was veel doorspraak, tevens was het kortoctaaf een tekortkoming geworden. Hij plaatst een nieuwe lade (C-c3) en vult het pijpwerk aan op basis van de nieuwe klavierambitus. De Praestant 8 vt. waarvan groot C, D en E tot toen toe gecombineerd waren met de Gedekt 8 vt, werden nu zelfstandig uitgevoerd met vijf , inclusief groot Cis en Dis, gedekten houten pijpen. De kast werd ruim 10 cm verdiept en een Fluit 4 vt. werd toegevoegd. Het discant pijpwerk van de Gedekt 8 vt. werd zo goed als vernieuwd samen met het klavier, regeerwerk, pedaalmechaniek en tremulant. De Mixtuur en de Trompet werden gedeeld in bas en discant.

Orgelmaker Lohman restaureert het orgel in 1867 waarbij hij enkele wijzigingen doorvoert. Zo werden de Sexquialter en de Mixtuur vervangen door een Viola di Gamba 8 vt. discant en een Salicionaal 4 vt, waarvan het groot octaaf werd gecombineerd met de Fluit 4 vt. De vijf houten pijpen van de Praestant 8 vt werden vervangen door vijf nieuwe grenen gedekten pijpen. De windkanalisatie werd aangepast, ventielveren werden vervangen en de ventielen werden uitneembaar gemaakt. Het orgel werdt gedeeltelijk geherintoneerd en omgestemd naar evenredig zwevende temperatuur. Tevens werd de tremulant verwijderd.

In notulen van 1898 wordt gesproken over het aanschaffen van een nieuw orgel. In eerste instantie lijkt van Oeckelen een orgel te gaan leveren maar uiteindelijk kiezen de kerkvoogden ervoor een instrument te bestellen bij Leichel te Lochem. Het Schnitger orgel werd gedemonteerd (het loze rugpositief bleef in Pieterburen), de balustrade werd vergroot en er werd een nieuw pneumatisch orgel geplaatst met 14 stemmen welke op 5 mei 1901 in gebruik werd genomen.

Het Schnitger orgel werd aangekocht door de kerkvoogden van Mensingeweer voor 400 gulden en werd in 1901 overgeplaatst door W.K. Beukema. De windvoorziening werd vernieuwd, de 3 spaanbalgen waren afgedankt. Omdat de orgelbank niet meegekomen was is ook deze nieuw gemaakt. In 1912 werd er een nieuw loos rugpositief geplaatst naar voorbeeld van Pieterburen.
Allerlei werkzaamheden en kleine reparaties werden door verscheidenen uitgevoerd, een concrete restauratie zat er niet in. In 1982 wordt door de Gebr. Van Vulpen schoonmaak- en reparatiewerk uitgevoerd en een Werckmeister III-stemming aangebracht. In 1992 en 1996 worden wederom reparatiewerkzaamheden uitgevoerd maar nu door Mense Ruiter Orgelmakers. Pas in 1995 kon plannen gemaakt worden voor restauratie en herstel. De ‘Stichting tot behoud van het Arp Schnitger Orgel te Mensingeweer’ werd opgericht en organist en orgeladviseur Stef Tuinstra stelde in datzelfde jaar een rapport op dat als uitgangspunt kon dienen voor een integrale restauratie. Hierin werden de mogelijkheden geschetst tot vier opties van restaureren:

1. Een conserverende restauratie zonder wijziging in het huidige concept.
2. Een conserverende en reconstructieve restauratie naar 1772 en overplaatsing naar Pieterburen.
3. Optie 1 met behoud van de Salcionaal, maar met reconstructie van de Sexquialter.
4. Een conserverende restauratie, met minimale middelen om na 25 jaar te kunnen beslissen of het orgel alsnog naar Pieterburen kan

Als in 2003 de Michaelskerk wordt gerestaureerd, wordt het loze rugpositief verwijderd. De noodzakelijke restauratie van het orgel laat dan nog even op zich wachten. In 2009 wordt rijkssubsidie voor de restauratie toegekend (Brim-regeling), waarmee de restauratie in november dat jaar van start kan gaan. Stef Tuinstra treedt hierbij op als adviseur. Het orgel werd geheel gerestaureerd, waarbij de dispositie van 1867 (Lohman) werd gehandhaafd.

De magazijnbalg en de beide schepbalgen werden opnieuw van leer voorzien. De handpompinstallatie werd nagezien op gebreken en er werd een nieuwe dempkist gemaakt waarin een nieuwe windmachine werd geplaatst.
De windlade werd geheel ontleed, waarbij bleek dat verscheidene delen reeds los waren, of door krimp waren gescheurd. De ventielveren (Lohman) konden alle gehandhaafd blijven, maar de geleidestiften moesten worden vernieuwd.
Alle mechaniek werd integraal hersteld. Van de speelmechaniek moest alle messingdraad- en stiftwerk worden vervangen. Bij de registermechaniek werden uitgesleten gaten gepropt waarin nieuwe gaten werden geboord. Bij alle voorkomende draaipunten werd het teveel aan speling weggenomen.
Al het pijpwerk werd nagekeken op gebreken, ingezakte pijpvoeten en stemschade. Bij de metalen pijpen moesten hier en daar stukjes orgelmetaal worden op gesoldeerd. Het front dat er op verschillende plaatsen gebutst uitzag, werd ontdaan van de aluminiumverf en werd na herstel voorzien van tinfolie. De labia werden verguld door Lammert Muller uit Zuidhorn.
De stevels van de Trompet moesten op veel plaatsen opnieuw worden verlijmd. Enkele duidelijk later afgeknipte bekers bleken bij de intonatie te kort te zijn en moesten derhalve worden verlengd. Op de stevel na was de pijp van e1 verdwenen, alsmede de keel en tong van de c0, een paar bekers waren ooit verwisseld.
Met de restauratie van de kast werd in mei 2010 begonnen.
Bij het verwijderen van de gebrekkig vastzittende en doorgezakte delen bleek dat het uitstekende segment van de kranslijst bij de middentoren deels was afgescheurd. Hier was een extra ondersteuning dringend gewenst. Bij de zijtorens was in de loop der jaren eenzelfde soort verzakking opgetreden. Het eiken dakbeschot aan de zuidkant moest geheel worden vernieuwd, dat aan de noordkant voor ongeveer de helft.
Het snijwerk werd gerestaureerd en waar nodig aangevuld door houtsnijder Tico Top uit Kruisweg. De twee putti, aan weerskanten uit het loofwerk ontsproten, kregen weer de beschikking over een blaasinstrument. De vormgeving ervan werd ontleend aan de hoorntjes van hun soortgenoten aan het snijwerk – van Jan de Rijk, 1692 – aan het orgel van de Pelstergasthuiskerk te Groningen.
Nadat de orgelkast gereed was, werden alle oude laklagen afgekrabd door Martens Schildersbedrijf v.o.f. uit Zuidwolde; de verflagen van de losse delen, zoals het snijwerk, werden in Martens’ werkplaats verwijderd door middel van een loogbad. Daarna werd de kast door Top op kleur bijgewerkt en als vanouds in de was gezet.
Nadat de kast in alle opzichten gereed was, werd in september 2010 het binnenwerk weer ingebouwd. Bij de restauratie van de klaviatuur, door Hinsz in 1772 nieuw gemaakt, vroeg het reconstrueren van de bijna geheel verdwenen ebbenhouten fineerlaag (3 mm.) van de bakstukken de nodige aandacht. Bij het onderzoek bleek dat op de kale bakstukken duidelijke kraslijnen waren te zien die leidend konden zijn voor een verantwoorde completering. Op grond van vergelijking met de klavieren van de Hinsz-orgels te Harlingen (1776), Dantumawoude (1777) en Roden (1780) kon op basis van gegevens en keuzekaders nieuwe bakstukbekleding ontworpen worden.
Ter vervanging van het celluloid op de ondertoetsen werd eveneens te rade gegaan bij contemporaine Hinsz-instrumenten. Omdat olifant-ivoor niet meer verhandeld mag worden, is het nu mammoetivoor geworden. De frontons werden van palmhout gemaakt. De registeropschriften (1867) werden gerestaureerd door Helmer Hut.
Al was het uitgangspunt voor de orgelrestauratie het jaar 1901, het uit ditzelfde jaar stammende bankje werd tijdens de restauratiewerkzaamheden met algemene consensus buiten gebruik gesteld. Er werd een nieuwe ‘normale’ bank gemaakt, naar voorbeeld van de bank bij het Hinsz-orgel (1785) van Uithuizermeeden. Het vorige bankje doet nu op de begane grond (hulp)dienst in het kerkenraadkamertje.
In november 2010 werd begonnen met de intonatie van het pijpwerk. Zo’n klankafwerking bleek nodig te zijn omdat veel pijpen meer dan vijftig jaar lang waren aangepast aan een steeds slechter functionerende windlade. Omdat de winddruk een paar maal was verhoogd om het windverlies nog iets te compenseren, werden verscheidene ‘manipulaties’ aan het pijpwerk verricht die nu allemaal weer ongedaan moesten worden gemaakt. Sommige kleine pijpen die destijds door lekkage bij de slepen continu een zuchtje wind kregen, bleken te zijn ‘ontpiept’ door een simpel doch doeltreffend gaatje, geprikt opzij van de pijpvoet.
In 1901 had Beukema hier en daar diepe kernsteken aangebracht en pijpvoet-openingen pragmatisch aangepast. Omdat het orgel qua klankvolume in 1901 verder niet of nauwelijks bleek te zijn aangepast aan de nieuwe ruimte en dus gauw overheersend overkomt, zou het voor de hand hebben gelegen bij de klankafwerking de winddruk aan de lage kant te houden. Maar na proefnemingen bleek dat het orgel zelf in dezen het laatste en krachtige woord wilde hebben. Hetgeen resulteerde in een winddruk van 65.5 mm. waterkolom.

In onderstaand overzicht worden de belangrijkste resultaten vermeld van de inventarisatie van het pijpwerk die in de eerste helft van 2010 werd uitgevoerd door de adviseur.
De registers worden vermeld in volgorde op de lade.
Bij alle Schnitger-stemmen zijn de Cis, Dis, Fis en Gis van Hinsz, op de Cis en Dis van de Praestant na.
S = Schnitger 1698
H = Hinsz 1772
L = Lohman 1867



Manuaal (C-c3):

Praestant 8’ C-E grenen gedekt (L), vanaf F in het front, vanaf g2 op de lade (S)
Holpijp 8’ (S) Vanaf g1 Hinsz
Octaaf 4’ (S) C-e1 met baarden (1867)
Quint 3’ (S)
Octaaf 2’ Overwegend (S)
Viool di gamba 8’ Discant (L)
Fluit 4’ (H) Vanaf fis2 met gaatjes in de hoed.
Salcionaal 4’ (L) C-H gecombineerd met de Fluit 4 vt. Bas/diskant
Trompet 8’ (S) bas/diskant

Pedaal (C-d1):
Aangehangen (H)

Nevenregister:
Windlosser (sinds 2010 Tremulant). De opliggende tremulant is gemaakt naar H.H. Freytag.
Windvoorziening: magazijnbalg, met twee schepbalgen.
Winddruk: 65.5 mm waterkolom.
Toonhoogte: een halve toon boven normaal
Stemming: bijna evenredig naar Tuinstra

foto: Stef Tuinstra

herstel rooster

oude boringen sesquialter

windlade

snijwerk