Startpagina
Nieuwbouw Restauratie Zoek op plaats Huisorgels Kistorgels Lopende projecten Over ons Nieuws Te koop aangeboden

Lellens, Herv. Kerk

Terug

Gerestaureerd in 2014 door Mense Ruiter orgelmakers b.v.

De dispositie na de restauratie is dezelfde als die van 1860:
F = H.H. Freytag, 1800.
D = G.P. Dik, 1860
N = nieuw aangebracht in 2014
Prestant discant 16 voet F (D)
Prestant bas/discant 4 v. F
Bourdon 8 v. F
Fluit 4 v. F
Octaaf 2 v. F
Speelfluit 2 v. F
Werktuiglijke registers:
Windlosser, dan wel (inliggende) Tremulant D/N
Omvang manuaal : C – f3 F/D
Omvang pedaal : C – c0 (los afneembaar) N
Toonhoogte : a1 = 412 Hz F
Winddruk : 55 mm F/D
Stemming : Wohltemperiert (naar Young-1800). F/N
Gegevens en tekst aangeleverd door Stef Tuinstra

Hendrik Louis Wijchgel had na het overlijden van zijn vrouw Hermanna Gesseler in 1798 de borg van de erfgenamen gekocht en daarbij hoogstwaarschijnlijk ook een kabinetorgel bij Freytag besteld. De datering van ca. 1800 lijkt dan ook aannemelijk. Door toedoen van Hendriks neef Adriaan van Wijchgel zal het orgel in 1860 door Geert Pieters Dik van de borg naar de kerk zijn verplaatst, kennelijk omdat hij en zijn vrouw het orgelspel niet machtig waren en men in de kerk dringend behoefte had aan een orgel voor de begeleiding van de gemeentezang. Het huis stond sinds 1875 leeg en werd in 1897 gesloopt op last van de toenmalige eigenaar Lodewijk Hendrik Wijchgel.
Zo zal dit orgel een eerste zijn in een reeks huisorgels volgens dit concept, waarvan er nog twee overgebleven zijn, die nu in Doesburg (Martinikerk, ca. 1805) en in Anloo (protestantse dorpskerk, gesigneerd 1804) staan.

In 1860 werd het orgel door Geert Pieters Dik (1799-1870) uit Groningen in de kerk geplaatst op het midden 18de eeuws balkon. Hij restaureerde het orgel en breidde het uit om het enigszins de allure van een echt kerkorgel te geven. Dik vergrootte de orgelkast met twee zijtorens met vlakke velden met bijbehorende ornamentiek. De oude ornamentiek van Freytag bleef volledig verguld, het nieuwe werd wit geschilderd. Omdat veel grenen delen waren toegevoegd werd al het kaswerk, inclusief het oude eiken deel, in een rode imitatie-mahonie kleur geschilderd. Aan de voorzijde werd een klein aangehangen pedaal van C – c0 gerealiseerd compleet met een welbordje en een geleider voor de toetsstoters.
De windvoorziening werd in combinatie daarmee ook aangepast. Dik maakte het zo dat een balgtreder aan de achterzijde de oude, zich onder in de kast bevindende magazijnbalg kon treden. Hij maakte ook een pianoforte-inrichting waarmee enkele registers tegelijk met voetbediening konden worden in- en uitgeschakeld. Zo werd het tussentijds registreren tussen een voorspel en het zingen lied eenvoudiger. De brede registerknoppen met geschilderde goudletters op een zwart geschilderd fond zijn eveneens van 1860 en zijn midden in een (nieuw) paneel aangebracht. De fraaie dubbel scharnierende kaarsenstanders zijn nog origineel uit 1800. Het fraaie oude klavier bleef in 1860 zoals het was.
De Prestant 8 vt discant van 1800 werd vermaakt tot een Prestant 16 voet discant om zo een iets steviger geluid te krijgen voor bij de begeleiding van de gemeentezang. Het overige pijpwerk bleef op de originele plaats staan; ook de oude lage toonhoogte bleef behouden. De klank van het orgel veranderde niet veel. Het werd wel gestemd in een min of meer gelijkzwevende stemming (voorheen een barokstemming).

Onderhoud door Jan Doornbos, Marten Eertman, fa. Spanjaard (restauratie 1935), Holtman & Leemhuis en amateurorgelmaker Jan van Dellen zijn relatief behoudend geweest. In 1935 werd het orgel ook opnieuw geschilderd. Over de mahonielaag van 1860 heen kreeg het orgel toen een zware donkere eiken-imitatie die
Vanaf ca. 1985 tot aan de restauratie werden zowel de kerk als het orgel sterk verwaarloosd. De kerkvloer en het orgelbalkon verzakten dermate ernstig dat instorting dreigde. Al met al was het orgel zeer beschadigd geraakt.
Na jaren van zoeken naar een goede bestemming voor de kerk en langdurig vooroverleg over de kerkrestauratie werd in 2008-2009 een kerkrestauratie uitgevoerd o.l.v. architect Willem van der Veen. Het rond 1910 aangebrachte verlaagde plafond bleef daarbij op nadrukkelijke wens van de RCE gehandhaafd.
Het orgel is qua concept relatief gaaf overgeleverd. Er is geen houten pijpwerk aanwezig. Voor de restauratie was de technische toestand van het orgel echter in alle opzichten dramatisch slecht: verdroogd, gescheurd, verroest, gedeukt, gerafeld, de klank abominabel vals, zuchtend en steunend.
Het orgel is nu geheel hersteld naar de toestand van 1860. Door de restauratie van Mense Ruiter Orgelmakers, houtsnijder Tico Top en de schilders Jan Martens en Helmer Hut ziet het orgel er fraai oud uit en klinkt het ook zo: een fraaie en uitbundig zingend-snijdende klank met een geprononceerde voorspraak. Het komt heel authentiek over. Nieuw zijn slechts het klavierbeleg en het pedaalklaviertje, dat is gemaakt naar voorbeeld van het Dik-orgel te Doezum (1844). De in allerlei pijpen teruggevonden oude toonhoogte is a1 = 412 Herz, de karakteristieke laat 18de eeuwse Groningse kerk- en kasteeltoonhoogte, netto kamertoon genoemd. Deze is ruim een halve toon lager dan de huidige normale toonhoogte.