Startpagina
Nieuwbouw Restauratie Zoek op plaats Huisorgels Kistorgels Lopende projecten Over ons Nieuws Te koop aangeboden

Groningen - ELK, 2004

Terug

Meer informatie (opent in een nieuw venster)
Hoofdwerk:
 
Bourdon 16
Prestant 8
Roerfluit 8
Octaaf 4
Nachthoorn 4
Quintfluit 3
Octaaf 2
Mixtuur III-IV st
Cornet V st
Trompet 8
Bovenwerk:

Prestant 8
Holpijp 8
Violoncel 8
Viola di Gamba 8
Fluit Harmonique 4
Piccolo 2
Clarinet 8

Pedaal: 

Subbas 16
Octaaf 8
Bourdon 8
Octaaf 4
Trombone 8
Speelhulpen:

Afsluiting manuaal
Afsluiting bovenmanuaal
Afsluiting pedaal
Koppeling HW-BW          
Pedaalkoppel       
Windlosser
Calcant

Het oorspronkelijke Arp Schnitger orgel, dat in de 18e en 19e eeuw al herhaaldelijk moest worden gerepareerd, werd in 1896 vervangen door een instrument vervaardigd door de firma Van Oeckelen en Zonen. Oprichter van het bedrijf, Petrus Van Oeckelen (1792-1878), verruilde in 1810 zijn geboortestad Breda voor Groningen, waar hij als "muzijkinstrumentmaker" ging werken.
De bouw van het orgel in de Lutherse Kerk te Groningen werd uitgevoerd door zijn zonen Cornelis Aldegundis (1829-1905) en Antonius (1839-1918). Het instrument bezit 22 stemmen, verdeeld over hoofdwerk, bovenwerk en vrij pedaal. In dispositie en stijl vertegenwoordigt het de expressieve stijl, verweven met moderne romantische elementen en het fraai uitgevoerde monumentale front, representeert het orgel op overtuigende wijze de laat 19e eeuwse periode van de Groningse orgelbouw.

voorgeschiedenis

   In 1883 denkt men al aan vervanging van het oude orgel en roept hiervoor een commissie in het leven. Als de orgelcommissie op 7 september 1883 voor het eerst bijeen komt, maakt men een afspraak met een zekere heer Van der Worp (de ons bekende Johannes Worp, organist van de Martinikerk), dat hij een dispositieontwerp zal maken. In de volgende vergadering wordt het gepresenteerd en besluit men bij de kerkenraad een krediet aan te vragen om een ontwerp met tekening en bestek te laten maken door "enige orgelfabrikanten". Tevens is men het er over eens, dat er een orgelfonds moet komen, waaruit het orgel kan worden gebouwd.

   De volgende vergadering waarin het orgel ter sprake komt is pas op 11 juli 1887; men besluit dan aan de orgelmakers Van Oeckelen een voorlopige raming te vragen. Twee maanden later komt men weer bijeen om de aanbieding van Van Oeckelen te bespreken. De aanbieding is voorzien van een bestek en een fronttekening, vermoedelijk betrof het de potloodtekening op wit papier die nog in het archief aanwezig is. Het orgel met twee klavieren en pedaal moet f 7800 kosten, het oude orgel kan worden ingenomen voor f 750. In de dispositie van Worp zijn enige wijzigingen aangebracht. Men zal de kerkenraad schriftelijk adviseren om de nieuwbouw op te dragen aan HH van Oeckelen, orgelfabrikanten te Harenermolen. De kerk moet ook worden gerepareerd voor ca. f 2000.

   Het blijft nu een groot aantal jaren stil, waarschijnlijk door gebrek aan fondsen. Op 15 juli 1895 is de orgelcommissie weer bijeen om te bespreken of het niet mogelijk is om met de bruikbare delen van het oude instrument achter het bestaande front een nieuw orgel te bouwen. De redenen zijn, dat de gemeenteleden het jammer zouden vinden dat het oude front zou verdwijnen en dat men denkt goedkoper uit te zijn. Het plan zal bestaan uit een nieuw hoofdwerk in romantische stijl, het rugwerk zal worden gehandhaafd, van het pedaal zullen de laden en de Bourdon 16' worden gebruikt.

De kosten zijn door Van Oeckelen begroot op f 3342, aan het eind van het jaar zal er f 2963 in de kas van het orgelfonds aanwezig zijn. Men twijfelt echter of het orgel hiermee in "een duurzame toestand" komt. Er wordt besloten een deskundige in te schakelen en neemt het voorstel van dominee Lagers over om J.F. Witte uit Utrecht over te laten komen.

   Op 30 augustus 1895 is de vergadering gewijd aan het bezoek van Witte. Deze heeft, naar zijn gewoonte, het bestaande orgel onbruikbaar verklaard en aangeboden om voor de viering van het 200-jarig bestaan, in November 1896, een nieuw orgel te leveren tegen een lagere prijs dan Van Oeckelen. Hij zal een tekening met prijsopgave toesturen. Deze tekening is nog in het archief aanwezig en toont een orgel met een vlak front in neogotische stijl, de prijs bedraagt f 5550. De commissie heeft zo zijn twijfels over het aantal stemmen. Men denkt dat het te klein is voor de kerk, maar besluit toch een delegatie naar Utrecht te sturen om enige orgels van Witte te beoordelen.

   In Utrecht bezoekt men onder andere het Witte-orgel van de Lutherse kerk aldaar. Het valt op dat dit orgel een toon meer had dan het exemplaar gezien in kerk der Jansenisten, namelijk een Cornet. Het orgel bleek bij het bespelen voller. De leden van de delegatie, waartoe ook de organist De Groot behoort, brengen op 6 september 1895 verslag uit. De secretaris meent dat het orgel van Witte inderdaad te klein is, hij acht het "te kinderachtig en niet krachtig genoeg". Hij heeft inmiddels een bezoek gebracht bij Van Oeckelen. Deze stelt voor zijn orgels te beluisteren in de Lutherse Kerk te Delft, Rotterdam en Dordrecht, maar ook in de Hervormde Kerk te Hoogezand.

   In de vergadering van 23 september 1895 brengt de secretaris verslag uit van het bezoek aan Hoogezand. De organist vertelde daar, dat het orgel in 1888 gebouwd was door de orgelmaker Kruse uit Leeuwarden. Hij omschreef het orgel als "zijnde van middelmatige kwaliteit". Organist de Groot zou het op prijs te stellen als er een orgel zou komen met meer registers dan de orgels te Utrecht en met een vrij pedaal.

   Een week later is de secretaris weer bij Van Oeckelen geweest en heeft van hem gedaan gekregen, dat hij een orgel met vrij pedaal zou leveren voor f 5400 met aftrek van f 750 voor het oude. Het orgel zou in het najaar van 1896 worden opgeleverd. De afbraak van het oude en de opbouw en intonatie van het nieuwe orgel zou hooguit zes weken vergen. Van Oeckelen zou een tekening maken, maar dit kon wel vier weken duren. Men kon alvast naar een soortgelijk front in Slochteren gaan kijken, waarvan ook een foto bestond.

   Op 9 december wordt de tekening in de vergadering goedgekeurd, men besluit de opdracht aan Van Oeckelen te verlenen en Witte af te schrijven. Een week later wordt de conceptopdracht besproken en is er overleg met Van Oeckelen. In het bestek staat als 3e register van het hoofdwerk facultatief een Violon 16' of een Quintadeen 8'. Van Oeckelen geeft de voorkeur aan de Violon, omdat deze "aangenamer klinkt' dan de Quintadeen. Het contract zal door de kerkenraad worden overgeschreven op gezegeld papier en ter ondertekening aan Van Oeckelen worden toegezonden. Merkwaardig is, dat pas op 22 juni 1896 wordt gemeld dat het is getekend.

   Op 13 oktober 1896 staat het orgel gereed in de werkplaats van Van Oeckelen; de heren K.P. Steenhuis (organist Nieuwe kerk) en P.H. de Groot gaan het orgel daar bespelen. Over de plaats van het instrument in de kerk is nog gediscussieerd: Van Oeckelen stelde voor om de gaanderij met balustrades vóór het orgel te doen vervallen, waardoor het orgel mooier zou uitkomen. Echter de kerkenraad besloot anders; voor het orgel diende het pas opgerichte koor te zingen. En zo geschiedde; het orgel werd geplaatst in een tweede (schijn-)balustrade achter het koor. Overigens is het aardig te vermelden dat het Schnitgerorgel hoogstwaarschijnlijk ook achter de balustrade aan de westzijde heeft gestaan. Tijdens de viering van het 400-jarig geboortefeest van Luther (11 november 1883) wordt melding gemaakt van 'eene versiering van groen loof met toepasselijke inscripties' langs de balustrade vóór het orgel (J.F. Kramer, Ev.-Luth. gemeente 1865-1896).

   De eerste bespeling vindt plaats op 29 november 1896, in zes weken (!) tijd werd het oude orgel afgebroken en het nieuw geplaatst. Twee dagen later wordt het onderzocht door K.P. Steenhuis, P.H. de Groot en H.H. van Denderen (organist Remonstrantse kerk). De definitieve oplevering vindt plaats op 18 maart 1897, er wordt aangetekend dat "het volle werk een krachtig en vol geluid heeft". Er zullen nog enige kleinigheden worden verholpen. Op 22 april wordt geconstateerd dat de aanspraak van de registers, vooral van de Bourdon 16', te langzaam is.

wijzigingen op een rijtje

In 192 vond de eerste wijziging aan het orgel plaats: meesterknecht van de zonen Van Oeckelen, Harmannus Thijs (1862-1943), schoof de Violon 16' (vanaf klein c) van het Hoofdwerk op tot een Violon 8', tevens wijzigde hij de samenstelling van de Mixtuur. Een jaar later werd het kerkinterieur vernieuwd en door Thijs een windmachine aangebracht.
De Fa. Spiering verving in '37 de Fluit Harmonique 4' door een Gedekt Fluit 4'.
Mense Ruiter verving in '53 de Violon 8' van het Hoofdwerk door een Sexquialter, deels met gebruikmaking van oude Mixtuurpijpen. Er kwam een compleet nieuwe Mixtuur. De Octaaf 2' en de Sexquialter werden op de Hoofdwerklade van plaats verwisseld. De Prestant 8' van het Bovenwerk werd opgeschoven naar 4-voetsligging. Ook de bekers van de Trompet 8' werden enger gemaakt.
In 1966 werd de pedaallade gerestaureerd door de Fa. L. Verschueren in samenwerking met A.J. Opten. Hierbij werden twee slepen versneden. Ook werden nieuwe dammen geplaatst. Tevens werden telescoopringen geplaatst.
In '75 voerde Verschueren werkzaamheden uit waarbij de lade van het Bovenwerk werd gerestaureerd. Hierbij werden ook telescoopringen geplaatst. De slepen werden geschaafd tot dunnere maat, dit om beter tegen klimaatinwerking bestand te zijn. De Quintfluit 3' werd verplaatst naar het Bovenwerk; de Viola di Gamba 8' moest hiervoor plaats maken. Pijpwerk van deze stem werd versneden tot een Quint 1½' op het Hoofdwerk. De doorslaande Clarinet 8' van het Bovenwerk moest wijken voor een nieuwe Dulciaan 8'. Tevens zorgde men voor een nieuwe bank en pedaal naar moderne maatstaven.
Nadat het initiatief was genomen tot een algehele kerkrestauratie begin jaren 90 stond het orgel tijdens de eerste werkzaamheden vooralsnog in de kerkzaal. Prof. Dr. A.M. Swanson, bekommerde zich om het lot van het instrument en trok aan de bel. Onder leiding van prof. G.J. van den Berg is toen de werkgroep orgelrestauratie opgericht. Vanaf dat moment brak een periode aan van fondsen- en subsidiewerving met als hoogtepunt het verkrijgen van de monumentstatus en daardoor de mogelijkheid tot subsidieverstrekking door de Rijksdienst voor Monumentenzorg. Daar er in het prille stadium van de restauratie nog te weinig financiële middelen beschikbaar waren, heeft men in die periode besloten het instrument alleen te laten demonteren. In november 1994 is het orgel door Mense Ruiter B.V. voor het grootste deel naar hun werkplaats vervoerd.

Restauratie
Na de voltooiing van de kerkrestauratie in 1998 was er nog steeds niet genoeg geld om daadwerkelijk tot restauratie over te gaan. Inmiddels was Jan Jongepier, toenmalig organist van de Grote of Jacobijnerkerk te Leeuwarden, aangetrokken als adviseur van de Lutherse Gemeente. Dr. Ir. A.H. Vlagsma had reeds in 1991 historisch onderzoek verricht waarop Jongepier kon aansluiten met een inventarisatie van het orgel. Jongepier stelde een integrale restauratie voor met herstel van de oorspronkelijke dispositie. Dat laatste viel niet bij alle leden van de werkgroep in goede aarde. Dhr. A.J. Opten, zoon van oud-organist Carel Opten, onderhield tot dusver het orgel. De meeste onder zijn advies uitgevoerde moderniseringen van het instrument dienden volgens hem niet ongedaan gemaakt te worden. Samen met toenmalig organist Johan Beeftink pleitte hij bijvoorbeeld voor het behoud van de moderne bank en het moderne pedaalklavier en het behoud van de Dulciaan 8' van het bovenwerk. Na het afscheid van Johan Beeftink in 2001 besloot helaas ook Opten ermee op te houden. Inmiddels was besloten de opdracht tot restauratie te verlenen aan Mense Ruiter orgelmakers B.V. te Zuidwolde.

De discussie over het herstel van de originele kaskleuren leverde binnen de werkgroep nogal wat gefronste wenkbrauwen op. Het behoud van de huidige kleur is dan ook de enige concessie die gedaan is. Al het imitatie-eiken in het front van de Hoofdwerk- en Bovenwerkkas is zo veel mogelijk gerestaureerd en opnieuw afgelakt. Aan de zijkanten is een nieuwe imitatie verschenen. Het snij- en lofwerk werd gepatineerd met verguld pigment en is geglaceerd. De labialen van de frontpijpen zijn vanwege de huidige nog in goede staat verkerende historische bladgoudlaag niet opnieuw verguld.
Voor de fluit Harmonique 4' is een origineel Van Oeckelen registerplaatje gekomen, evenzo voor de Clarinet 8' (uit oorspr. voorraad Mense Ruiter B.V.)
De twee manuaalladen zijn gerestaureerd geheel in stijl en met de materiaalkeuze als Van Oeckelen. De ventielen zijn van een nieuwe belering voorzien, de pulpeten weer op originele wijze vervaardigd. Alle westaflex conducten zijn vervangen door loden conducten. De windkanalen zijn weer winddicht gemaakt en zonodig opnieuw verlijmd. Ook is de Calcant-schel weer in functie hersteld. De magazijnbalg is opnieuw beleerd.
Qua dispositie ging het restauratievoorstel in beginsel uit van (bijna) volledig herstel naar oorspronkelijke situatie.

Hoofdwerk: Uit opslag van de orgelmaker was een 4-voets Salicet van Petrus van Oeckelen (1860, uit orgel Nederlands-Hervormde kerk te Oostwold) beschikbaar. De orgelmakers gebruikten dit originele Van Oeckelen register voor de reconstructie van een Violon 16' met als resultaat dat het instrument weer beschikt over een dun en strijkend 16-voets register. De Octaaf 2' is weer teruggeplaatst op de oude plek. Tevens is de Quintfluit 3' van het Bovenwerk gehaald om zo, terug op de orginele plek. De Mixtuur, die in 1953 door Mense Ruiter compleet vernieuwd werd, is deels gereconstrueerd uit de Sexquialter. Deze mixtuur is afgeleid uit aantekeningen van de oude Mense Ruiter zelf die nog in het archief van de orgelmaker aanwezig waren. Dit hernieuwde register fungeert nu weer als brede vulstem van 3 of 4 sterk. De Trompet 8', als sluitstuk van het hoofdwerk, heeft de oude mensuren teruggekregen. De bekers zijn verlengd waardoor het register de karakteristieke Van Oeckelen klank heeft herkregen. De originele mensuren van het pijpwerk dat Mense Ruiter zelf in de jaren 50 veranderde, zijn ook in het archief van Mense Ruiter B.V. teruggevonden.

Bovenwerk: In '53 schoof Mense Ruiter de Prestant 8' op naar Prestant 4'. Via aantekeningen van Frans Talstra en bouwtechnische bewijzen van de orgelmakers is uiteindelijk besloten de 4-voetsligging op te schuiven naar 8-voets. De 4 grootste (front-)pijpen (het register spreekt vanaf groot G) staan in de onderste middentoren. Frappant is het feit dat de slagletters op deze pijpen niet corresponderen met de tonen die ze voortbrengen; zo staat op de pijp die als groot G spreekt de slagletter F. Via een nieuw houten conduct worden de 4 pijpen die onder staan vanaf de bovenwerklade aangevoerd (een afdruk van het oude houten conduct was nog aanwezig!) en spreken na een periode van 51 jaar weer als herboren. Een voor een klassiek-romantisch Van Oeckelen-concept onmisbaar register is de Viola di Gamba 8'. Sinds 1975 niet meer in het Luthers orgel aanwezig, toen bouwde Verschueren de aanwezige Viola di Gamba immers om tot Quint 1 ½'. Uit deze Quint is het zachte strijkende register nu terug. Pijpen hiervan zijn verlengd tot Viola di Gamba. Bij Van Oeckelen valt de zachte intonatie van dit register op. Het groot octaaf zal nieuw worden gemaakt. De Violoncel 8' staat vanaf groot F# op de lade, de grootste pijpen staan op een brug tussen lade en front. Aan de weerszijde van de Violoncelhangers zijn nog hanggaten te zien van de vroegere Viola di Gamba 8', nu komen de nieuwe pijpen (groot C t/m groot E) hier te staan.
De Fluit Harmonique 4' is naar voorbeeld van het Van Oeckelen & Zn. orgel in de Hervormde kerk van Schettens (Friesland) gereconstrueerd. Het pijpmateriaal van de Gedekt Fluit 4' van Spiering ('37) was niet geschikt om hergebruikt te worde. De aankoop van een originele, door Van Oeckelen en Zonen in 1895 vervaardigde, Clarinet 8-voet uit de Hervormde Kerk van Warffum zorgde voor de terugkomst van het meest karakteristieke register van het orgel. Deze, voor Van Oeckelen, zeer kenmerkend stem bezit doorslaande tongen. Mede door een formidabele inzet van de adviseur van Warffum, Stef Tuinstra, klinkt net zoals 110 jaar geleden voor het eerst weer een doorslaand tongwerk in de kerk.
Voor het pedaalklavier is het besluit genomen om terug gegaan naar de mensuur van de toetsen zoals de zonen Van Oeckelen ze in hun tijd bouwden. Het pedaal is gereconstrueerd. De registers van het pedaal zijn door de jaren heen ongewijzigd gebleven.
Na uitgebreide inventaristatie en gedeeltelijke reparatie van het Van Oeckelen pijpwerk is alles nu teruggeplaatst. Gekozen is voor een terughoudend intonatieproces waarbij veel respect werd getoond voor de bestaande nog aanwezige intonatie. Datgene van het pijpwerk wat nieuw bijgemaakt is, is zorgvuldig vergeleken met bestaand materiaal zoals te vinden is in de Hervormde kerk van Niekerk (Oldekerk) en de Remonstrantse kerk Groningen.