Startpagina
Nieuwbouw Restauratie Zoek op plaats Huisorgels Kistorgels Lopende projecten Over ons Nieuws Te koop aangeboden

Emmen - Grote Kerk, 2004

Terug

Orgel gebouwd door R. Meijer in 1879.
Gerestaureerd in 2004 door Mense Ruiter orgelmakers b.v. te Zuidwolde.

Luisterfragment [515 KB]
M. Reger
Präludium in d

organist, Mattijs de Vreugd

Meer informatie (opent in een nieuw venster)
Hoofdmanuaal C-e3:

Prestant 16
Bourdon 16
Prestant 8
Gemshoorn 8
Roerfluit 8
Octaaf 4
Gemsfluit 4
Quint 3
Octaaf 2
Cornet 4 st.
Mixtuur 2-4 st.
Trompet 8
Bovenwerk C-e3:
 
Open Fluit 8
Viola di Gamba 8
Lieflijk Gedakt 8
Viool Prestant 4
Fluit d’amour 4
Woudfluit  2
Fagot-Hobo 8
Pedaal C-d:

Violon  16
Subbas 16  
Violoncello 8
Octaaf 4
Bombardon 16  
Trombone 8
Speelhulpen:

Manuaalkoppel
Pedaalkoppel-HW
Tremulant (opliggend)

Bijzonderheden:
Toonhoogte :a1=440Hz
Winddruk :90 mm waterkolom
Stemming:gelijkzwevende temperatuur

Het orgel in de Grote Kerk te Emmen is gemaakt door Roelf Meijer (1827-1884) uit Veendam in 1873. Het werd op 14 april van dat jaar in gebruik genomen. Het instrument kostte toen 4.115 gulden. Voor zover bekend was er in de 18de- en de 19de eeuw geen orgel aanwezig, in de 17de eeuw echter wel. Dat instrument is in 1672 waarschijnlijk door de vanuit Groningen terugtrekkende troepen van de bisschop van Munster vernield. Het Meijer-orgel was gemaakt als een groot dorpsorgel met 18 registers, verdeeld over twee klavieren en een aangehangen pedaal. Dat het orgel degelijk was gemaakt bewijst wel het feit dat pas in 1920 het orgel voor het eerst uitgebreid werd gerepareerd door de fa. P. van Dam uit Leeuwarden. Vóór die tijd is er alleen regulier onderhoud gepleegd.

In 1931 volgde de eerste modernisering van het instrument door de fa. H.W. Flentrop uit Zaandam. Doordat men inmiddels al geruime tijd de behoefte aan een vrij pedaal voelde, werd het orgel uitgebreid met een pneumatisch vrij pedaal met twee registers. Ook plaatste men een orgelmotor, zodat het werk van de balgtreder overbodig werd. Op het tweede manuaal werd een Vox Celeste 8’ toegevoegd, een aantal pijpen werden vervangen, de hoogst klinkende pijpenrij van de Mixtuur werd weggenomen en de frontpijpen werden opnieuw gepolijst. Alle gebreken werden hersteld. Voorts werd het orgel geheel omgeïntoneerd.

In 1949 werd het orgel opnieuw gerestaureerd (fa. D.A. Flentrop, Zaandam) en naar de mode van de tijd (de z.g. neo-barok) vrij ingrijpend gewijzigd. De mechanieken werden verbeterd en een groter vrij pedaal werd aangebracht (2 extra registers). Daartoe werd de orgelkas naar achteren toe uitgebreid. De dispositie werd gewijzigd, hetgeen tot gevolg had, dat de inwendige aanleg direct achter de frontpijpen drastisch werd veranderd. De Gamba 8’ van het Hoofdwerk werd vervangen door een Cornet 5 sterk discant, de grootste frontpijpen kregen alleen een pedaalfunctie en een Quintadena 16’ werd bijgeplaatst. De Trompet van het HW kreeg een nieuw onderste octaaf met opslaande tongen (voorheen ‘doorslaand’). Het Bovenwerk kreeg een Sesquialter 2-3 sterk i.p.v. de Fagot-Hobo 8’, de Vioolprestant 4’ werd 4 halve tonen opgeschoven tot een gewone Prestant 4’ (aanvullende baspijpen nieuw) en de Open Fluit 8’ (BW) kreeg 17 nieuwe pijpen voor de hoogste tonen. Voor het eerst kreeg het orgel een tremulant. De klank werd opnieuw veranderd. Veel pijpwerk werd een halve of hele toon opgeschoven, zodat het geheel een wijdere mensuur kreeg. Daarom moesten pijpen voor de laagste toon (tonen) worden bijgemaakt. Vervolgens werd al het pijpwerk op een veel lagere winddruk opnieuw geïntoneerd. Het orgel had inmiddels 23 stemmen, verdeeld over twee klavieren en een vrij pedaal, alsmede twee koppels en een tremulant.

Vanwege de in die periode nieuw aangelegde verwarming veranderde nadien de vochthuishouding in de kerk drastisch, waardoor de windladen en de mechanieken het flink te verduren kregen. Er deden zich daarom al snel opnieuw allerlei problemen voor. Ook de pneumatiek van het pedaal was erg storingsgevoelig. In de jaren vijftig deed de fa. Flentrop enkele voorstellen tot verbetering. De strenge winter van 1962-63 was voor veel orgels de oorzaak van ernstige droogteschade, zo ook in Emmen. In 1965 werd de kerk gerestaureerd. Ook het orgelbalkon werd daarbij gemoderniseerd. Het orgel verkeerde daarna in een slechte toestand. Na deze kerkrestauratie werd een verzoek om subsidie voor een orgelrestauratie bij het rijk afgewezen, omdat het orgel niet op de monumentenlijst stond, zoals zoveel 19de eeuwse orgels in die tijd. Daarna verdween helaas ook de fa. Flentrop uit beeld. Het zou vervolgens een halve eeuw tobben worden met het orgel.
Alhoewel men weinig geld had wilde men toch iets ondernemen. Het orgel werd in 1965-66 dan toch gerestaureerd, ditmaal door de goedkope en weinig bekende fa. E.R. Ottes te Roden. Tijdens het werk werd het aanvankelijke plan op advies van de toenmalige organist Vic de Val nog enigszins uitgebreid. Het pneumatische pedaal bleef, de klaviatuur en de koppels werden vernieuwd, de grote oude blaasbalg werd verwijderd, alleen de regulateurbalg bleef over. In het HW werd de Mixtuur vervangen door een nieuwe, de Cornet en de Trompet 8’ (zinken bekers) uit 1949 werd vervangen door resp. een Nachthoorn 1’ en een nieuwe Trompet met bekers van orgelmetaal, de Quintadeen 16’ en dePrestant 8’ en werden resp. aangevuld, danwel van een transmissie voorzien. Van de Sesquialter van het BW werd het 3de koor weggenomen. Op het pedaal kreeg de Subbas 16’ nieuwe pijpen van roodkoper en werd de Koraalbas 4’ vervangen door een Schalmei 4’. De orgelkas werd opnieuw geschilderd en de gesneden zijvleugels, die in 1949 waren verwijderd en opgeslagen werden weer aangebracht. Tot slot werd het orgel opnieuw geïntoneerd op basis van de aangetroffen toestand. De fa. Ottes bleek het werk niet aan te kunnen, zodat de klachten nadien vrijwel net zo frequent waren dan vóór de ingreep. Al blonk Meijer niet uit in technisch hoogstaand werk (hij bouwde in sommige opzichten bepaald onlogisch en slordig), een sterk punt van het orgel was wel de klank. Door de zich door de tijd heen in snel tempo opvolgende werkzaamheden had het orgel haar oude klankkracht en –pracht geheel verloren: de klank was futloos en heel onsamenhangend. Ook technisch was het orgel tot een schim verworden van wat het eens was.

De periode vanaf 1968 tot aan de laatste restauratie was een aaneenschakeling van pogingen om het orgel goed gerestaureerd te krijgen. Met name de restauratie van de toren in 1976 bracht e.e.a. in beweging. Het orgel had er nogal van geleden. In 1978 diende de fa. Vierdag te Enschede, die het orgel vanaf 1968 in onderhoud had, een restauratieplan in op basis van voorstellen van organist De Val. De Val overlijdt kort daarna. Door de landelijke Hervormde Orgelcommissie (NHOC) werd in 1979 voor de eerste maal een voorlopig rapport over het orgel uitgebracht. Ook de RDMZ werd geconsulteerd in de persoon van rijks-adviseur O.B. Wiersma. Hans van der Harst werd als adviseur aangetrokken; hij maakte een rapport met een restauratieplan, op basis waarvan orgelmaker Albert de Graaf in 1980 een (verbeterd) plan met offerte maakte. Pogingen in die tijd om het orgel op de landelijke monumentenlijst te krijgen strandden, omdat volgens de RDMZ het orgel teveel historisch materiaal verloren had (subsidieafwijzing in 1984). Pogingen in 1985 om via het provinciale Bureau Monumentenzorg Drenthe om het orgel met ISP-gelden te herstellen haalden het ook niet.

N.a.v. de nieuwe monumentenwet in 1988 kwam er opnieuw aandacht voor het orgel. Een tweede rapport van de NHOC werd uitgebracht, opnieuw werd overlegd met de RDMZ. Daaraanvolgend werd in 1992 door adviseur Stef Tuinstra een uitgebreid historisch- en bouwkundig vooronderzoek gedaan en werkte hij een nieuw restauratieplan uit. Een monumenttoewijzing zou er nu wel inzitten, alleen moest worden gewacht op de daartoe ingestelde procedures. Er volgden jaren van telkens opnieuw fasebegrotingen maken. In 1994 werden de firma’s Verschueren, De Graaf en Mense Ruiter om een restauratieofferte verzocht, waaruit die van de fa. Ruiter als de best werkbare naar voren kwam. Toch bleek een sluitende financiering steeds een te groot struikelblok; de inventarisatie- en toewijzingsprogramma’s van de Rijksdienst m.b.t. het toewijzen van het orgel als monument namen zeer veel tijd in beslag. Pas toen het orgel eind jaren negentig als monument kon worden aangemerkt werd het mogelijk het plan ook daadwerkelijk te realiseren. Een belangrijk element bij het toewijzen van de monumentstatus was de fraaie akoestiek van de kerk vóór de restauratie. Een akoestisch rapport door G. van der Boom, akoestisch adviseur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg gaf daarbij mede de doorslag. Vooraf aan de orgelrestauratie moest echter eerst de kerk worden gerestaureerd. Tot kort voor de opdrachtverlening bleef het onzeker of de financiering sluitend te krijgen was, ook vanwege het feit, dat niet alle werkzaamheden bij de orgelrestauratie subsidiabel waren. Men was zich bewust van het feit dat alles in één keer goed gedaan moest worden, nu er van alle kanten bereidheid was getoond om in het project van kerk en orgel te investeren. In een later stadium zou een dergelijke kans zich niet weer voordoen. De aanvankelijke plannen om het werk te faseren bleken op den duur toch onnodig kostbaar. Ook een rehabilitatie van het uiterlijk van het orgel en van het gehele orgelbalkon was daarbij een absolute noodzaak, alleen al omdat de voorzijde van het orgel verzakt was. Ten behoeven van het kleurherstel werd door Helmer Hut een uitgebreid kleuronderzoek uitgebracht en kon een offerte bij schildersbedrijf Sanders, die de kerk ook al had geschilderd, worden aangevraagd. De totaalbegroting kon nu definitief worden gemaakt en in 2001 kon eindelijk de opdracht tot volledige restauratie worden gegeven in plaats van een opdracht voor de 1ste fase.
Verrichte werkzaamheden van de restauratie:

*De aan de voorzijde verzakte kas werd geheel hersteld en gestabiliseerd; boardpanelen uit 1966 werden vervangen in grenen. Het geheel werd opnieuw geschilderd in de nog aanwezige oude kleuren en vergulding.De in 1965 verdwenen borstwering werd gereconstrueerd naar bewaard gebleven oude sporen aan de kas, n.a.v. oude foto’s en vergelijkbare authentieke voorbeelden.

*De windvoorziening werd gecompleteerd met een oude balg uit voorraad van de orgelmaker van vrijwel dezelfde factuur en afmetingen als de originele verdwenen balg; de nog originele regulateurbalg werd als zodanig hersteld; de windkanalen werden aangevuld en een nieuwe motor en regulateur werden onder de orgelbalkonvloer geplaatst.

*De windladen werden geheel gerestaureerd, in grote lijnen naar Meijers methode maar dan precieser en met extra voorzieningen voor de kerkverwarming, echter zonder het aanbrengen van hechthoutplaten. De front-conducten moesten nieuw worden gemaakt.

*De grotendeels bewaard gebleven oude mechanieken werden gerestaureerd en aangevuld, het koppelmechanisme van 1966 werd deels gehandhaafd, echter wel aangepast aan de nieuwe overbrengingsverhoudingen.

*De klaviatuur werd geheel nieuw gemaakt, in grote lijnen naar Meijer, maar met betere verhoudingen voor een goede zithouding voor de (grotere) mensen van onze tijd.

*Het pijpwerk werd uitgebreid geïnventariseerd. Op basis van de uitkomst daarvan is besloten om de ingrepen uit 1949 deels te handhaven vanwege de hoge technische en artistieke kwaliteit ervan, dus met behoud van het toen bijgeplaatste pijpwerk en de mensuurverschuivingen. Ook de mixtuur uit 1966 is gehandhaafd, zij het dat de mensuur en de samenstelling beter ingepast zijn. Vervolgens is ze geïntoneerd volgens de methodiek van het oude pijpwerk. Het oude pijpwerk is wat kwetsbaar en bros en raakt daardoor relatief snel beschadigd; het werd zorgvuldig gerestaureerd. Veel pijpen moesten daardoor aan de bovenzijde van nieuwe opzetstukjes worden voorzien, enkele pijpen moesten geheel nieuw gemaakt worden. Ook moesten veel versuikerde pijpvoeten worden vernieuwd.

*De in 1949 gecreëerde toonhoogte werd gehandhaafd (a1=440Hz); wel werden de steminrichtingen weer in stijl van 1873 aangebracht (geen expressions).

*De originele manuaaldispositie werd enerzijds hersteld, anderzijds ook enigszins uitgebreid. De oude pijpopstelling achter het front werd terug gerestaureerd naar de originele aanleg van 1873. Daarvoor moesten bij sommige registers enkele octaafrijen pijpen nieuw worden gemaakt, zowel in eikenhout als orgelmetaal.

*De Trompet 8’-HW werd nieuw gemaakt naar voorbeeld van Scheemda (Meijer-1873), echter in een iets wijdere mensuur en in de bas opslaand. Een Cornet 5 sterk discant is toegevoegd op een kantsleep met verhoogde stok aan de frontzijde. Op het BW werd de Fagot-Hobo 8’ gereconstrueerd naar voorbeeld van het fraaie gelijknamige register te Wildervank (Meijer-1867).

*Een geheel nieuw mechanisch vrij pedaal werd toegevoegd. Daarvoor werd op de oude, uit het orgel stekende, balgkas een grote nieuwe pedaalkas gemaakt met plaats voor zes registers. Drie registers zijn gemaakt (de labiaalregisters van grenenhout).

*De voorheen uitermate slechte intonatie van het orgel werd van de grond af aan opnieuw opgezet. Er werd geïntoneerd naar de exact aangetroffen originele aangetroffen methode van Meijer (met hoge winddruk en relatief kleine voetopeningen).

Meijers werkwijze was voor zijn tijd opvallend. Hij was een van de eerste orgelmakers in deze regio die een groot deel van zijn materiaal van Duitse toeleveringsbedrijven betrok en vervolgens het materiaal samenstelde tot een klinkend muziekinstrument. Zo zijn de windladen, mechanieken en de pijpen hoogstwaarschijnlijk geleverd door de fa. Ibach uit Barmen bij Wuppertal (D) en is het orgel mogelijk geïntoneerd door de Friese orgelmaker Willem Hardorff. Ook de materialen voor de orgelkas betrok Meijer van elders. Niet bekend is van wie of waar. In de stijl van zijn orgelkassen is Meijer ondanks het assemblageproces opvallend origineel, alhoewel hij weinig in zijn werk varieerde.